Methodiek Keuzegids Universiteiten 2019 (berekeningen)

In de Keuzegids Universiteiten 2019 vind je heel veel informatie over wo-opleidingen. Waar komt al die informatie vandaan? Hoe komen de oordelen tot stand? En hoe bepalen we welke opleidingen beschreven worden? Op deze pagina leggen we het je uit. Eerst globaal, en voor de echte die-hards ook tot in de kleinste details. 

Waar komt de informatie uit de Keuzegids vandaan?

Wij werken met informatie uit betrouwbare bronnen, zoals de studentenoordelen uit de Nationale Studenten Enquête (NSE), arbeidsmarktcijfers van het Researchcentrum voor Onderzoek en Arbeidsmarkt (ROA), studiesuccescijfers van de Vereniging van Universiteiten (VSNU) en rapporten van de accreditatieorganisatie NVAO.

Die cijfers selecteren en bewerken wij vervolgens zelf. Daarbij vinden we het belangrijk dat de cijfers vergelijkbaar zijn, en dat ze relevant zijn voor studiekiezers. Voor de studentenoordelen kijken wij naar de concrete vragen uit de NSE, bijvoorbeeld over de docenten of de praktijkgerichtheid. Algemene vragen zoals ‘zou je de opleiding aanraden aan anderen’ vallen af.

Welke opleidingen?

In deze gids zijn alle wo-bacheloropleidingen opgenomen die aan drie voorwaarden voldoen:

  • Ze waren op 15 oktober 2018 opgenomen in het landelijke register croho (zie www.duo.nl)
  • Ze hadden op die datum een geldige NVAO-accreditatie die doorliep tot tenminste medio 2019
  • Ze worden daadwerkelijk per september 2019 aangeboden

Vrijwel al deze bachelors worden primair in voltijd aangeboden. Als er ook een deeltijdvariant is, wordt dit vermeld in een aparte noot. Bij acht opleidingen die louter in deeltijd bestaan (Open Universiteit, Nyenrode) staat dit expliciet vermeld.

Hoe komen de oordelen uit de Keuzegids tot stand?

Elke opleiding wordt in de Keuzegids op verschillende aspecten beoordeeld. De studentenoordelen tellen voor 80 % mee. Daarnaast kijken we naar studiesuccescijfers (10 %) én naar expertoordelen van de accreditatieorganisatie NVAO (10 %).

In de Keuzegids kijken we naar relatieve scores. We laten dus per aspect (studiesucces, studentenoordelen en expertoordelen) zien of een opleiding op-, onder-, of bovengemiddeld scoort ten opzichte van het landelijk gemiddelde in het wo.

Dat kun je onder andere zien aan de symbolen in de tabel. Aan het symbool ‘o’ zie je: de opleiding scoort rond het gemiddelde. Een plusje betekent bovengemiddeld en een minnetje ondergemiddeld. De symbolen lopen van – – – tot ++.

Alle plusjes en minnetjes bij elkaar leiden tot een totaalscore tussen de 0 en de 100 punten. Als een opleiding op alle aspecten gemiddeld scoort, krijgt hij 60 punten. Met elk minnetje of plusje gaan er punten af of komen er punten bij.

De totaalscore wordt daarnaast uitgedrukt in nul tot vijf sterren. Twee sterren is gemiddeld, bij vier of vijf sterren noemen we het een ‘topopleiding’. Dit is ook te herkennen aan de medaille:medaille

Verschil met de NSE

Je kan resultaten van opleidingen in de NSE op verschillende manieren weergeven. Op de website Studiekeuze123 worden absolute scores getoond. Je ziet dan dat een bepaalde wo-opleiding 3,4 bij het thema ‘docenten’ scoort.
Maar wat betekent dat cijfer? Daarvoor moet je weten dat wo-opleidingen bij dit thema gemiddeld 3,63 scoren. Deze opleiding zit daar duidelijk onder. In de Keuzegids werken we daarom met relatieve scores, die laten zien of een opleiding hoger of lager dan gemiddeld scoort. In dit geval zal je voor docenten een ‘minnetje’ vinden; dat betekent ‘lager dan gemiddeld’.

Wil je meer weten over hoe de gids werkt? Ga dan naar de Leeswijzer. Klik op de onderstaande kopjes om per cijfer in de Keuzegids te zien hoe deze tot stand komt. 

Hoe de scores precies worden berekend, wordt hieronder in detail uitgelegd. Klik op het juiste kopje voor meer informatie.


 


Feiten

Naast de prestaties en de oordelen willen we ook graag wat vertellen over de feiten van een opleiding. DIt hebben we voor je uitgezocht, en hoe we dat doen wordt hieronder besproken.

 


Voertaal en Numerus Fixus?

Voertaal

Voor de voertaal doen wij eigen onderzoek op de websites van opleidingen. De gegevens uit landelijke bronnen (croho-register, studiekeuzedatabase) blijken namelijk niet volledig en correct.

  • en als de opleiding vanaf het begin Engelstalig is (deels Engelse literatuur telt niet als Engels)
  • nl als de opleiding hoofdzakelijk Nederlandstalig is
  • nl/en als er keus is tussen een Nederlands- en een Engelstalige stroom.

Numerus Fixus?

Deze gegevens zijn gebaseerd op de websites van universiteiten, peildatum 1 november 2018. Naast de vermelding van numerus fixusstudies is ook aandacht besteed aan andere opleidingen die studenten mogen selecteren. Zoals de University Colleges. Wij hebben sinds 3 november 2018 ook een poster beschikbaar met een compleet en handzaam overzicht van alle hbo- en wo-studies met selectie.

Weer naar boven

 


% Internationale Studenten

Deze cijfers komen van DUO ‘1 cijfer H.O.’, bewerking Nuffic/CHOI. Wanneer het om minder dan 5 internationale studenten gaat (0-4 studenten) is alléén bij opleidingen met N>100 een percentage <5% weergegeven, en alléén bij opleidingen met N>400 een percentage <1% weergegeven. Bij kleinere opleidingen is ‘nb’ weergegeven. ‘nb’ omvat ook opleiden waarvan geen gegevens bekend zijn.

Weer naar boven

 


Instroom

De gegevens komen uit het landelijke 1CHO-bestand (‘1 cijfer H.O.’). Wij haalden deze cijfers dit jaar uit de landelijke studiekeuzedatabase van Studiekeuze123. Bij opleidingen waar instroomcijfers ontbraken (Open Universiteit, Nyenrode, of door databasefouten) zijn ze geraamd op grond van populatiecijfers uit de Nationale Studentenenquête.

 

Weer naar boven

Oordelen

Het gedeelte ‘oordelen’ behandelen we in vier delen: survival 1e jaars, contacturen, studentenoordelen en expertoordelen. 

Survival 1e jaar

Deze gegevens, berekend met peildatum 1 september 2017, zijn dit keer direct afkomstig van universiteitenvereniging VSNU. Het betreft het percentage studenten dat in het tweede jaar verder studeert bij dezelfde opleiding. Alleen ‘directe’ instromers vanuit het VWO zijn in deze berekening meegeteld. Bij opleidingen waar deze instroom kleiner dan 20 was, zijn de cijfers van twee of zelfs drie jaar samengenomen.

In onze tabellen staan niet de studiesuccescijfers zelf, maar we geven met + en – tekens aan of het studiesucces bij de opleiding hoger of lager is dan het landelijke wo-gemiddelde.

Elke opleiding krijgt plussen en minnen toegekend, volgens onderstaande normen:

Symbool % naar jr 2
– – tot 63%
tot 73%
o tot 83%
+ tot 93%
++ v.a. 93%


Weer naar boven

Contacturen

Het oordeel over contacturen laat de tevredenheid van studenten over de intensiteit van de opleiding zien: krijgen ze genoeg contacturen of mag het wel een tandje meer (of minder)?

Hier baseren wij ons op een combinatie van twee gegevens uit de Nationale Studenten Enquête:

  • De schatting die studenten zelf geven van het aantal uren per week dat ze contact met een docent hebben gehad. Studenten geven dit aan in grove categorieën.
  • Het antwoord van studenten of ze dit aantal uren (te) weinig, precies goed of (te) veel vinden.

Alle oordelen zijn steeds vergeleken met het landelijke Wo-gemiddelde. Hier geven wij de klassengrenzen per hoofdthema. De scores zijn weliswaar afgeleid van de 5-puntsschaal van de Nationale Studenten Enquête, maar in de Keuzegids worden de verschillen inzichtelijk gemaakt. Deze klassenbreedte is ontleend aan de standaarddeviaties en betrouwbaarheidsmarges van alle oordelen.

Klassengrenzen contacturen Universiteiten 2019
Oordeel Gemidd St. Dev. – – – – – o + ++
Contacturen 2,91 0.19 < 2.41 2.41 – 2.60 2.61 – 2.80 2.81 – 3.00 3.01 – 3.20 > 3.20



Weer naar boven

Studentenoordelen


De studentenoordelen zijn gebaseerd op resultaten uit de Nationale Studenten Enquête (NSE) die studenten jaarlijks invullen. De Keuzegids heeft zelf een set vragen geslecteerd uit de NSE die volgens ons het meest gaan over de kwaliteit van het onderwijs. Die hebben we in zeven thema’s onderverdeeld: Programma, toetsing, docenten, wetenschappelijke vorming, praktijkgerichtheid, studeerbaarheid en faciliteiten. 

De studentenoordelen zijn gebaseerd op resultaten van de Nationale Studenten Enquête (2017 tm) 2018. Het betreft eigen selecties en bewerkingen van deze oordelen, afkomstig uit het “landelijk benchmarkbestand” over de NSE 2018. De oordelen zijn niet 1-op-1 af te leiden uit publicaties.

Onze bewerking van de studentenoordelen omvat de volgende stappen:

  • Selectie van 39 representatieve vragen, met optimale aansluiting op vragen uit het verleden
  • Betrouwbaarheidstoets: oordelen moeten een solide statistische basis hebben (gemiddelde betrouwbaarheidsmarge <0,25). Zo niet, dan worden de oordelen van 2 enquêtejaren gebundeld. Daarbij geldt dan een marge van 0,3 als het maximaal aanvaardbare.
  • Per opleiding gemiddelde vraagscores berekenen, voor de overgebleven respondenten
  • Landelijk wo-gemiddelde per vraag berekenen – gewogen op basis van populatieverhoudingen
  • Ordening in 7 hoofdthema’s en berekening themascores per opleiding.
  • Bepaling klassengrenzen per hoofdthema, voor +/- scores in de Keuzegids (op basis van gemiddelde en spreiding voor het gehele wo)
  • Toepassing klassenindeling
  • Controle kansverdeling

De betrouwbaarheidstoets is strenger dan de officiële rapportages over de Nationale Studenten Enquête. Dit betekent dat op de websites van Studiekeuze123 en NSE Online opleidingen soms wel een oordeel krijgen op een volgens ons te smalle statistische basis.

In stappen proberen wij uit een veelheid van enquêtevragen de essentie over onderwijskwaliteit te destilleren. Deze stappen zijn enerzijds gebaseerd op 25 jaar ervaring en debat; anderzijds worden ze ondersteund door uitvoerige multivariate analyse en analyses van schaalbetrouwbaarheid.

Hierna focussen wij op de thema-indeling en de klassengrenzen. Allereerst wordt hier de selectie en thema-indeling van vragen toegelicht:


STUDENTENOORDELEN KEUZEGIDS UNIVERSITEITEN 2019: Indeling thema’s
Hoofdthema en weging* Vraagnr Korte formulering
 1. PROGRAMMA: 10%  Inh-1  Niveau van de stof
 Inh-4  Onderwijs stimulerend
 Inh-6  Samenhang programma
 Inh-7  Gehanteerde wervormen
 Uitd_01  Uitgedaagd het beste uit jezelf..
 2. TOETSING: 10%  Toe-1  Duidelijke criteria
 Toe-2  Aansluiting op de stof
 Toe-4  Toetsing kennis/inzicht
 Toe-5  Toetsing vaardigheden
 3. DOCENTEN: 10%  Doc-1  Docenten deskundig
 Doc-2  Didact kwaliteit docenten
 Doc-5  Begeleiding door docenten
 Doc-6  Feedback van docenten
 4. WETSCH. VORMING: 10%  Wetv-2  Kritisch beoordelen van publicaties
 Wetv-4  Schrijven van wetensch. artikelen
 Wetv-5  Methoden en technieken v. onderz.
 Wetv-7  Zelf onderzoek doen
 5. PRAKTIJKGERICHTHEID: 10%  AlV-1  Kritische houding gestimuleerd
 AlV-3  Leer probleemoplossen
 AlV-4  Onderbouwen conclusies
 AlV-7  Argumenteren
 VbB-1  Opdoen van beroepsvaardigheden
 VbB-2  Praktijkgerichtheid
 VbB-3  Contact beroepspraktijk
 6. STUDEERBAARHEID: 10%  Slast-1  Spreiding studielast over ’t jaar
 Slast-2  Haalbaarheid deadlines
 Slast-4  Mogelijkh. onvertraagd studeren
 Roost-3  Studierooster studeerbaar?
 Info-2  Informatie studievoortgang
 Info-5  Tijdige uitlagen toetsen
 7. FACILITEITEN: 10%  Sfa-1  Kwal. onderwijsruimten
 Sfa-3  Werkplekken zelfstudie
 Sfa-5  Bibliotheek
 Sfa-6  ICT-faciliteiten
 Sfa-7  Digitale leeromgeving
 De studentenoordelen bepalen samen voor 70% het oordeel over een opleiding.

Alle opleidingsscores op onze thema’s worden vergeleken met het landelijke WO-gemiddelde. Hieronder geven wij de klassengrenzen per thema. De scores zijn dus afgeleid van de absolute scores uit de Nationale Studenten Enquête, maar de Keuzegids vertaalt dit naar relatieve scores. Wij zoomen in op het verschil tussen de opleiding en het landelijke gemiddelde.


Klassengrenzen contacturen Universiteiten 2019
Oordeel Gemidd St. Dev. – – – – – o + ++
 Programma 3,82 0,19 < 3,32 3,32 – 3,51 3,52 – 3,71 3,72 – 3,91 3,92 – 4,11 > 4,11
 Toetsing 3,73 0,19 < 3,23 3,23 – 3,42 3,43 – 3,62 3,63 – 3,82 3,83 – 4,02 > 4,02
 Docenten 3,76 0,23 < 3,16 3,16 – 3,39 3,40 – 3,63 3,64 – 3,87 3,88 – 4,11 > 4,11
 Wetenschap. Vorm. 3,60 0,28 < 2,91 2,91 – 3,19 3,20 – 3,48 3,49 – 3,77 3,78 – 4,06 > 4,06
 Praktijkgerichtheid 3,47 0,24 < 2,85 2,85 – 3,09 3,10 – 3,34 3,35 – 3,59 3,60 – 3,84 > 3,84
 Studeerbaarheid 3,66 0,18 < 3,19 3,19 – 3,37 3,38 – 3,56 3,57 – 3,75 3,76 – 3,94 > 3,95
 Faciliteiten 3,67 0,25 < 3,02 3,02 – 3,27 3,28 – 3,53 3,54 – 3,79 3,80 – 4,05 > 4,06

Voor alle hoofdthema’s geldt een vergelijkbare kansverdeling van de verschillende scores. Elke opleiding heeft bijna 40% kans op een gemiddelde score (o), twee keer rond de 25% kans op een enkele min of plus, en twee keer samen ruim 10% kans op een dubbele min of plus. De kans op de extreemste score (3 min) ligt minder dan 1 procent.

Hieronder geven wij ter illustratie de frequentieverdeling van alle oordelen:

NB: wie deze grafiek bekijkt, zal zien dat er bij meer opleidingen plussen vallen dan minnen. Deze scheve verdeling is geen toeval. De verklaring is dat hoge scores vooral bij kleine opleidingen vallen, en dat grootschalige opleidingen vaker zwak scoren. Het aantal studenten dat kritisch oordeelt, is dus niet kleiner, maar ze zijn geconcentreerd bij grotere opleidingen.

Weer naar boven


Expertoordelen

Wat zijn expertoordelen?
De expertoordelen komen van de keuringsinstantie NVAO, die eens in de zes jaar elke opleiding beoordeelt. De meeste opleidingen worden gewoon goedgekeurd, dus alleen als de experts bijzonder onder de indruk waren van het programma, tonen wij een plusje in de tabel.

Expertoordelen Keuzegidsen 2019: criteria en normstelling
Het ‘expertoordeel’ in de Keuzegidsen is gebaseerd op de oordelen uit NVAO-accreditatiebesluiten. Omdat de aanpak van de NVAO elke paar jaar verandert – en oude oordelen minstens zes jaar geldig blijven – hebben we te maken met allerlei soorten accreditatiebesluiten, met elk net weer verschillende facetoordelen. Hier focussen we op de meest gangbare types:

  • UT=Uitgebreide Toets. 11 of 16* beoordeelde facetten + 1 totaaloordeel
  • BT=Beperkte Toets. 4 of 3* beoordeelde onderwerpen, 1 totaaloordeel

*) Tot medio 2016 werd er in de UT een groter aantal facetten beoordeeld. En in de BT werden ‘kwaliteit toetsing’ en ‘gerealiseerd eindniveau’ samen beoordeeld. Bij de ‘toets nieuwe opleidingen’ (TNO) gebruikt de NVAO nog iets aangepaste criteria; dit heeft echter geen invloed op onze verwerking.

De Keuzegids haalt uit deze twee typen NVAO-oordelen een vaste set criteria en gebruikt die voor het ‘expertoordeel’ – zodat we het steeds over dezelfde kwaliteiten hebben.

We onderscheiden 4 oordelen:

  • A. Doelstelling: beoogde eindkwalificaties
  • B. Programma en onderwijsleeromgeving
  • C. Toetsing en gerealiseerd eindniveau
  • D. Totaaloordeel

Bij de beperkte toets (BT) van de NVAO zijn deze oordelen makkelijk te vinden. Alleen het onderwerp C is sinds medio 2016 gesplitst in twee oordelen; wij nemen hiervan het gemiddelde. Bij de uitgebreide toets (UT) zijn de onderwerpen A, C en D eenduidig. Alleen bij onderwerp 2 is het iets ingewikkelder. Hier gebruikt de Keuzegids 5 criteria:

(B) Programma en onderwijsleeromgeving in UT:

  • B1. Oriëntatie van het programma
  • B2. Inhoud van het programma
  • B3. Vormgeving van het programma
  • B4. Kwaliteit van het personeel (of: ‘het personeel is gekwalificeerd’)
  • B5. Materiële voorzieningen (of: ‘huisvesting en materiële v..’)

Scores per onderwerp
De NVAO geeft per deelonderwerp (of: facet) oordelen. Wij vertalen deze als volgt in scores:

Onvoldoende 1
Deels voldoende* 2,5
Voldoende 3
Goed 4
Excellent 5
 * Dit omvat zowel Voldoende ten delen, als Voldoende/Positief onder Voorwaarde.

Bij onderwerpen met twee of meer criteria geldt het gemiddelde van de facetscores als het NVAO-oordeel.

Berekening expertoordeel Keuzegids
Ons expertoordeel wordt gebaseerd op de vier oordelen A t/m B. We tellen de vier scores op. Dit levert een tussenscore op. Hier laten we de volgende normen los.

Normering expertoordeel
Klasse  Betekenis Tussenscore
 ondergemiddeld < 12
o  gemiddeld 12 – 14,1
+  bovengemiddeld 14,2 – 16
+ +  sterk bovengemiddeld > 16,1

NB: Een opleiding met louter voldoendes krijgt als tussenscore: 4 x 3 = 12 punten. Een opleiding met louter ‘goed’ krijgt als tussenscore: 4 x 4 = 16 punten. Dit is bovengemiddeld. Met nog één excellent onderdeel verdient de opleiding een dubbele plus.

 

Weer naar boven

Totaalscore/ oordeel

De tabellen staan vol plusjes, minnetjes en o’tjes, die aangeven of een opleiding beter, slechter of gelijk aan de gemiddelde wo-opleiding scoort. Ook zie je het eindoordeel uitgedrukt in nul tot vijf sterren. Bovendien zijn opleidingen met een eindoordeel van 75 punten of meer ‘topopleiding’. Dit kun je zien aan een medaille voor de tabel.

Kijk bij de tabellen niet puur naar welke opleiding bovenaan staat. Je kunt namelijk ook zien hoeveel kwaliteitsverschil er is tussen de opleidingen. Zo kan een opleiding als laatste eindigen en toch prima onderwijs bieden of kunnen juist alle opleidingen, inclusief de opleiding die bovenaan staat, van mindere kwaliteit zijn.


Totaalscore

Samengevoegd zijn er nu 10 thema’s: 1 vanuit de rendementcijfers van de VSNU (survival 1e jaars), 8 vanuit de Nationale Studenten Enquête van STudiekeuze123 (contacturen t/m faciliteiten) en 1 vanuit de NVAO accreditatierapporten (expertoordeel). Al deze thema’s tellen even zwaar mee.

Voor de ranglijsten van deze Keuzegids zijn originele gegevens omgerekend naar een 6-puntsschaal, die loopt van (- – -) via o tot (++).

Dit houdt in dat elk thema een score krijgt met een waarde tussen de 0 (- – -) en de 10 (++). Waarbij de 6 (o) voor een neutrale score staat.

  • De totaalscore is het totaal van alle themascores

Het resultaat is een cijfer op een schaal van 0 tot 100. De gemiddelde opleiding scoort ongeveer 60 punten.


Totaaloordeel

Het totaaloordeel is een afgeleide van de totaalscore. Hoe hoger de score, hoe hoger het oordeel.
De classificatie van het oordeel is als volgt:


Classificatie totaaloordeel
 Totaalscore  Classificatie  Oordeel
< 46  zwak ☆☆☆☆☆
46 – 55  matig ★☆☆☆☆
56 – 65  voldoende ★★☆☆☆
66 – 75  goed ★★★☆☆
76 – 85  zeer goed ★★★★☆
> 85  uitstekend ★★★★★

 

Weer naar boven

Arbeidsmarkt

Bij elk vakartikel in de Keuzegids vind je cijfers over de baankansen na je studie. Ze komen uit de grote enquête onder pas (sinds 1,5 jaar) afgestudeerden, de Nationale Alumni Enquête (NAE) van de VSNU. Wij wilden die gegevens zo verwerken dat je een eerlijke vergelijking tussen de studies krijgt. Dat gaat niet vanzelf, maar met steun van het onderzoeksinstituut ROA van de Universiteit Maastricht is dat toch gelukt. Hier een uitleg over de hoofdpunten.

De eerste vier gegevens (“werkt minstens 12 uur/week” t/m “goed voorbereid op baan”) zijn gebaseerd op de Nationale Alumni Enquête (NAE) 2017 van de vereniging van universiteiten (VSNU). Dit is een enquête onder afgestudeerde masters. Op ons verzoek zijn deze gegevens door het Researchcentrum Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) terugvertaald naar de verwante bachelorstudies. De “baankans tot 2022” betreft de tweejaarlijkse prognoses van het ROA, geactualiseerd in oktober 2018. In december 2019 verschijnen nieuwe prognoses.

 

Weer naar boven

Ranking in artikel “De beste universiteiten”

Voorin deze Keuzegids staan ook ranglijsten met totaalscores voor complete instellingen. Maar hoe kan je instellingen met een heel verschillend studie-aanbod op een eerlijke manier met elkaar vergelijken? Dat wordt gedaan met een speciale berekening:

  • Instellingsscore = 60 +/- afwijkingsscore

Er is gekozen voor de neutrale score van 60, omdat dit de totaalscore is wanneer je op elk thema een “o” scoort: de ultieme gemiddelde score.
De instellingscore en de totaalscore van de opleidingen hebben zo een vergelijkbare scoring.

De afwijkingsscore wordt als volgt berekend:

  • Stap 1 opleidingen vergelijken met verwante opleidingen.

Er wordt eerst per opleiding van de betreffende instelling gekeken hoe deze scoort vergeleken met het landelijke gewogen gemiddelde.
Een gewogen gemiddelde houdt in dat er bij het berekenen van het gemiddelde rekening gehouden wordt met de grootte van, in dit geval, de opleiding.

Bijv. de opleiding geneeskunde van instelling X scoort 66 punten, 4 punten onder het Geneeskunde-gemiddelde.

  • Stap 2 Elke opleiding weegt zo zwaar als hij groot is.

Het verschil hierin wordt vermenigvuldigd met het aantal studenten die deze opleiding volgt.

Bijv. de opleiding geneeskunde heeft 1000 studenten. 1000 *- 4 = – 4000. In stap 2 krijgt de master geneeskunde – 4000 punten.

  • Stap 3 Alle opleidingen worden opgeteld.

De punten van alle opleidingen van de betreffende instelling worden bij elkaar opgeteld.

Bijv. instelling X heeft drie opleidingen:
De opleiding geneeskunde scoort 66 punten, 4 punten onder het gemiddelde. Er zijn 1000 studenten.

– De opleiding communicatie scoort 68 punten, 6 punten boven het gemiddelde. Er zijn 500 studenten.
– De opleiding psychologie scoort 64 punten, 4 punten boven het gemiddelde. Deze opleiding telt 2000 studenten.

– Genees: – 4 x 1000 = – 4000 punt
– Comm: + 6 x 500 = + 3000 punt
– Psych: + 4 x 2000 = + 8000 punt

Totaal: – 4000 + 3000 + 8000 = 7000 punten

  • Stap 4 De afwijkingsscore wordt berekend.

Om op een gewogen afwijkingsscore te komen, wordt in de laatste stap het totaal gedeeld door het aantal studenten van alle opleidingen van de instelling.

Bijv. bovenstaande universiteit heeft 7000 punten in totaal en 3500 studenten verdeeld over de opleidingen.
7000 / 3500 = 2.
De afwijkingsscore = + 2.
De instellingsscore = 60 + de afwijkingsscore, dus voor instelling X is de instellingsscore 62.



Weer naar boven

 


Instellingscore “Internationalisering”

Bij de rapportcijfers over deze beide onderwerpen is geen getrapte berekening gemaakt (dus eerst vergelijkend per vakgebied), maar hebben wij per instelling het populatiegewogen gemiddelde berekend van de NSE-scores op een vijfpuntsschaal. Deze scores zijn met een eenvoudige formule vertaald naar rapportcijfers. Daarbij gold:

  • Rapportcijfer = 1,6 * NSEscore + 1,25

Maastricht scoort bijvoorbeeld gemiddeld 3,87 op een vijfpuntsschaal. Met deze formule wordt dit een rapportcijfer 7,4. Twente en Eindhoven scoren 3,15 en 3,17. Dit worden rapportcijfers 6,3.



Weer naar boven