Keuzegids Mbo 2015: de gebruikte gegevens

De Keuzegids MBO 2015 is gebaseerd op gegevens uit een groot aantal bronnen. Hier geven we uitleg over de belangrijkste gebruikte gegevens, de bronnen en de gehanteerde normen.

Welke opleidingen, welke indeling?

Beschrijving: alle MBO-niveaus, BOL en BBL

Dit jaar worden alle officieel geregistreerde opleidingen uit het centraal register CREBO per vakgebied beschreven. Dat zijn er ruim 650. Vaak hanteren instellingen zelf ‘unieke’, dus afwijkende marketingnamen voor hun opleidingen. De Keuzegids houdt zich aan de officiële naam. Dat vergelijkt makkelijker met andere scholen. En het zegt vaak meer over de werkelijke inhoud van je opleiding en diploma.

 

11 hoofdstukken, 50 vakgebieden

Dit jaar is de Keuzegids ingedeeld in 50 overzichtelijke artikelen en tabellen per vakgebied. Deze indeling is een stuk fijnmaziger dan de 16 ‘domeinen’ die de afgelopen twee jaar het uitgangspunt waren. Zo zitten dierverzorging, akkerbouw en bloemschikken niet meer in één artikel bij elkaar. Ook sport en beveiliging zijn uit elkaar getrokken. De indeling is gebaseerd op groepen beroepsopleidingcodes of bc-codes. Hij is tevens gekoppeld aan een éénduidige indeling van kwalificatiedossiers. Iets lastiger is, dat de indeling in bc-codes soms de grenzen tussen domeinen overschrijdt.

Voor wie de indeling exact wil begrijpen, is er daarom als speciale toelichting een tabel “dossiers per vakgebied” beschikbaar.

Per vakgebied wordt steeds het opleidingsaanbod besproken en worden de kwaliteit en prestaties van de verschillende mbo-scholen vergeleken.

 

“Na je diploma”: de baankansen

Per vakgebied geven wij cijfers over de gemiddelde positie van gediplomeerde mbo’ers op de arbeidsmarkt. Deze zijn gebaseerd op gegevens van het Researchcentrum Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht.

De vijf eerste cijfers komen uit een jaarlijkse enquête onder recent gediplomeerden van het mbo. Om solide gegevens te krijgen zijn gegevens van vijf enquêtejaren (2010 t/m 2014) samen genomen. Voor een eerlijke vergelijking tussen vakgebieden is de volgende selectie gehanteerd:

–    leeftijd ten tijde van enquête tussen 17 en 33 jaar
–    niveau 3 en 4
–    alleen leerweg BOL, tenzij anders vermeld (dit is de grootste groep en onderling het best te vergelijken)

Concreet is gebruik gemaakt van de volgende gegevens:

1.   Hoeveel % leerde door? Dit cijfer is vooral belangrijk om te begrijpen waarom er zo weinig mensen werken. Gemiddeld blijkt ruim 50% van de mbo-studenten na een diploma op niveau 3 of 4 nog door te studeren: bij een andere opleiding in het mbo, of in het hbo. (ook ‘werkend leren’ tellen we als ‘doorleren’)

2.  “Direct betaald werk?”. Minstens 12 uur per week. Combinatie werk/studie is niet meegeteld. Gemiddeld blijkt maar 40% direct na diplomering een betaalde baan te hebben.

3.  “Werkweek (uren)”. Gemiddelde van degenen die werk hebben. Bij BOL34 is dat 31,7 uur en dalend.

4.  “Bruto uurloon”. Zelfde selectie als bij (2). Gemiddelde bij BOL 34 is 10,4 euro

5.  “Oordeel: nuttig diploma?”. De vraag was: gaf deze opleiding je een goede startpositie op de arbeidsmarkt? De ondervraagden konden een score van 1 tot 5 (zeer slecht tot zeer goed) geven. Weergegeven is het percentage dat een score 4 of 5 gaf. Zo tevreden is nog maar 42% van de gediplomeerden in  BOL34.

De ‘bolletjes’ achter elk cijfer geven aan of dit vakgebied beter of slechter scoort dan het mbo-gemiddelde.

Verder is er nog gebruik gemaakt van cijfers uit een andere bron:

6.  “Baankans tot 2018”. Dit gegeven komt uit de ROA-publicatie “De arbeidsmarkt naar opleiding en beroep tot 2018”, uit december 2013

Het gaat om de verhouding tussen het aantal verwachte nieuwe mbo-gediplomeerden en het aantal verwachte vacatures. Deze scores zijn door ROA zelf al in termen van ‘slecht’ en ‘matig’ tot en met ‘zeer goed’ geformuleerd. Dit hebben wij overgenomen, met een enkele aanpassing bij het samenvoegen van vakgebieden.

NB: alle cijfers zijn gemiddeldes per vakgebied. Daarbinnen kunnen de kansen per opleiding soms nog flink uiteenlopen. Voor details over specifieke opleidingen: kijk ook ens naar www.kansopwerk.nl. (SBB).

Tabellen per vakgebied (“De opleidingen”)

In elk artikel geven wij in één tabel een overzicht en kwaliteitsvergelijking van mbo-scholen die in dat vakgebied opleidingen aanbieden.

NB: in deze tabellen zijn alleen de scholen opgenomen waarvan we gegevens hebben over studentenaantallen en/of studentenoordelen. Het gevolg is dat de meeste particuliere mbo-scholen niet in de tabellen te vinden zijn. Welk worden ze geregeld in de tekst vermeld. Een uitzondering is hogeschool TIO, de particuliere opleider voor horeca, toerisme en luchtvaart (stewardessen). Deze liet dit jaar als eerste particuliere school haar studenten een oordeel over het onderwijs geven en verdiende zo een mooie plaats in de tabellen.

1. Opleidingsniveaus en Instroomgegevens

Eerst geven we per mbo-school het aantal eerstejaars, uitgesplitst tussen BOL en BBL.

Daarna wordt aangegeven of een school in dit vakgebied één of meer opleidingen op niveau 1,2,3, en/of 4 aanbiedt. BOL en BBL zijn daarbij samengenomen.

Beide soorten gegevens zijn afkomstig van Dienst Uitvoering Onderwijs ((www.ocwduo.nl), (verder; DUO)

2. Statistieken studiesucces

Twee kolommen in de tabel gaan over studiesucces van studenten, toegespitst op BOL én BBL, niveau 3 en 4. Het gaat om de meest recente gegevens van DUO, met peildatum september 2013.

=> Naar tweede jaar” (of ‘survival’) betreft het percentage van de instroom dat na 1 jaar NIET is uitgevallen.

=> “Kans op diploma”  betreft het percentage dat na vier jaar een diploma op niveau 3 of 4 heeft behaald (jaargang 2009). Dit hoeft niet bij dezelfde opleiding en instelling te zijn waar men is ingestroomd.

De cijfers betreffen een selectie uit de totale studentenpopulatie:

  • Vooropleiding: alle soorten, behalve ‘onbekend’, ‘ongediplomeerd’
  • Leeftijd bij instroom maximaal 27 jaar

Er zijn alleen scores berekend op basis van aantallen van minstens 20 studenten. Waar nodig zijn gegevens van de school in enkele verwante vakgebieden gecombineerd. gebundeld. Dit is meestal ook gebeurd als de instroom tussen de 20 en 40 studenten lag.

De cijfers voor studiesucces van elke school zijn vertaald in vijf kwaliteitsklassen, van dubbelmin (duidelijk lager dan gemiddeld) tot dubbelplus (veel hoger dan gemiddeld). Hierbij zijn de volgende normen gehanteerd:

 

3. Studentenoordelen

Deze gegevens zijn gebaseerd op JOB-Monitor 2014, de landelijke enquête onder mbo-studenten. In dit onderzoek gaven meer dan 250.000 jongeren hun mening over de kwaliteit van hun opleiding, de stages de schoolorganisatie en dergelijken.

Dit jaar hebben wij niet alleen de oordelen over de BOL-route meegeteld, maar zijn de oordelen van álle studenten gebruikt om een zo representatief mogelijk beeld te geven over de studenttevredenheid. We hebben de studenten daarbij in vier categorieën ingedeeld en hun oordelen over elk kwaliteitsasect steeds vergelelen met het landelijk gemiddelde oordeel van studenten uit dezelfde categorie. Deze vier categorieën zijn: BBL12, BBL34, BOL12 en BOL34. Overigens is de laatste categorie verreweg de grootste. Ze omvat tweederde van alle ondervraagde MBO-studenten.

Wij berekenden zes themascores, elk gebaseerd op een selectie uit de enquêtevragen.

  • Docenten en lessen (kwaliteit docenten; kwaliteit lesmateriaal).
  • Leer je genoeg? (genoeg leren op school; leren communiceren; zelfstandig leren werken; leren voor het beroep)
  • Begeleiding (Contact docenten; begeleiding bij studie / hulp bij leerproblemen / bij keuzes in studie)
  • Eerlijke toetsing? (Inhoud tijdig bekend; aansluiting op lesstof; leerlingen op zelfde wijze beoordeeld)
  • Stage* (aansluiting school/stage; begeleiding door school; idem door leerbedrijf; manier van beoordeling; leer  je op stage genoeg?)
  • Organisatie (Regels duidelijk toegepast; aandacht voor veiligheid; omgang met klachten; sfeer op de opleiding; melding roosterwijzigingen)

*) Bij BBL-opleidingen zijn vergelijkbare oordelen over de leerwerkplek meegeteld

In deze selectie ligt de focus op de kwaliteit van het onderwijs en daarvoor relevante randvoorwaarden. Niet meegeteld zijn o.a. vragen over algemene voorzieningen (kantine). Verder is van elk deelaspect geanalyseerd hoe sterk de oordelen erover samenhingen met de algehele tevredenheid van de leerlingen. Zo zijn de meest relevante deelaspecten uitgekozen. Per thema tellen de vermelde deelonderwerpen steeds even zwaar mee.

Voor de berekening en presentatie van de oordelen zijn verder de volgende spelregels gehanteerd:

Betrouwbaarheid

Om over de mbo-scholen alleen oordelen te publiceren die betrouwbaar een representatief zijn, hebben wij de volgende regels toegepast:

Cleaning: Studenten die meerdere van de genoemde vragen onbeantwoord lieten, zijn uit het bestand verwijderd.

Minimum steekproef. E zijn alleen oordelen gepubliceerd op basis van minstens 20 studenten

Betrouwbaarheidsmarge. Daarnaast mocht de betrouwbaarheidsmarge van het berekende oordeel over een school niet groter zijn dan 0,3 punt. Bij grote opleidingen met sterke variatie in oordelen was daardoor soms 35 studenten nog niet genoeg voor een betrouwbaar oordeel.

Bundeling. Als een school in een vakgebied te weinig ondervraagde studenten had, zijn waar mogelijk de oordelen over twee of meer verwante vakgebieden gebundeld.

Vertaling naar plussen en minnen

In de JOB-Monitor geven studenten  leerlingen hun oordelen op een 5-puntsschaal. De gemiddelde scores per school per vakgebied worden steeds vergeleken met het landelijke gemiddelde van alle leerlingen van dat type. Met plus- en minsymbolen geven wij in onze tabel aan of de scores van de school meer of minder afwijken van het landelijke gemiddelde bij de vergelijkbare groep leerlingen (zelfde leerweg, zelfde niveau).

Binnen het MBO blijken de aard van het onderwijs, het type leerlingen en daarmee ook de (oordelen over de) onderwijskwaliteit per leerroute en per opleidingsniveau uiteen te lopen. Voor een eerlijke vergelijking worden de prestaties van opleidingen daarom steeds afgemeten tegen het landelijke gemiddelde van dezelfde leerroute en hetzelfde opleidingsniveau.

De scores in de Keuzegids zijn daarmee ‘relatieve’, want vergelijkende scores. Om dit duidelijk te maken, wordt geen gebruik van rapportcijfers, maar staan in de tabellen steeds eenvoudige +/- symbolen, die aangeven of een school in dit vakgebied en op dit onderwerp boven of onder het gemiddelde scoort.

Hier worden de normen gegeven voor opleidingen op niveau BOL 3 of 4:

Het ziet er door de vele cijfers even ingewikkeld uit. Maar het principe is simpel: een opleiding die een gemiddelde score van minder dan 2,732 haalt voor docenten, krijgt een oordeel ‘- – – ‘ (zeer laag). En daarna gaat het in stapjes van 0,28 punt omhoog.

De oordelen van de andere drie categorieën studenten zijn volgens onderstaande normen vertaald in plussen en minnen:

Meer details over de berekeningswijze bij ‘gemengde’ studentenpopulaties vind je hier.

4. ‘Waarschuwing’ onderwijsinspectie

Voor het eerst zijn dit jaar ook actuele oordelen van de onderwijsinspectie meegeteld in de berekening van ons oordeel over mbo-scholen per vakgebied. Er is gebruik gemaakt van alle rapporten van de Onderwijsinspectie, op peildatum 15 november 2014, plus de lijst “Overzicht mbo-opleidingen van onvoldoende kwaliteit van 1 november 2014. Het ging om twee soorten bevindingen:
– Zwakke of zeer zwakke onderwijskwaliteit
– Onvoldoende examenkwaliteit

Constateringen over ‘onvoldoende opbrengst’ of problemen met ‘naleving’ van wettelijke regels zijn niet meegeteld.

In enkele gevallen stond een opleiding nog wel als ‘zwak’ op de lijst, maar was al bekend dat deze vanwege geboekte vooruitgang spoedig van de lijst probleemgevallen zal worden afgevoerd. In dat geval is er in de Keuzegids geen melding meer opgenomen.
Als een mbo-school in een bepaald vakgebied voor één of meer opleidingen een waarschuwing van de onderwijsinspectie heeft gekregen, dan geven wij dat aan met een bliksemsymbooltje. Als het om een ernstige waarschuwing gaat, of om problemen bij meer opleidingen, dan staan er soms twee symbooltjes.

5. Berekening totaalscore, ranking

Voor het berekenen van de totaalscore van een school in een vakgebied nemen we eerst het gemiddelde van de scores in alle acht kolommen. Daarbij tellen de studentenoordelen voor 75% mee en het studiesucces voor 25%. De formule is eenvoudig: Totaal = 2,5 x som (deelscores), waarbij de symbolen als volgt meetellen:

– – –   = 0   /    – –     = 1  en zo verder tot  +++  = 6

Als er een waarschuwing van de onderwijsinspectie is (één bliksem), worden er 2 punten afgetrokken (en bij een dubbele waarschuwing (twee blkisems) is de aftrek 4 punten.

De totaalscore wordt hierna op hele punten afgerond

 

Eindoordeel

Tenslotte is naast de totaalscore steeds een ‘eindoordeel’ gegeven. Hiervoor gelden deze normen:

– Lager dan 45 = – –

– Van 45 tot 54 = –

– Van 55 tot 64 = o

– Van 65 tot 74 = +

– Van 75 tot 84 = ++

– Vanaf 85 is een +++

Alle scores vanaf 75 punten beschouwen wij als ‘topkwaliteit’

Ranglijsten instellingen

Voorin de Keuzegids zijn drie ranglijsten opgenomen van de beste ROC’s, beste vakscholen en beste AOC’s. In deze lijsten zijn alleen scholen opgenomen waarover een leerlingenoordeel beschikbaar was.

De instellingsranglijsten zijn gebaseerd op de 50 ranglijsten per vagebied. Hiervoor is een speciale procedure gehanteerd, die rekening houdt met (a) verschillen in omvang van opleidingen en (b) verschillende oordeelspatronen per opleidingsrichting. Die procedure verloopt als volgt:

1. Vergelijking met verwante opleidingen

In het ene vakgebied scoren alle scholen (veel) positiever dan in het andere vak. Het gemiddelde rapportcijfer van de opleidingen voor de verpleging is bijvoorbeeld 64, terwijl dat bij de opleidingen voor de handel maar 58 is. Een school met alleen verpleegkunde kan dus niet eerlijk vergeleken worden met een school die alleen handel aanbiedt.
Om toch te kunnen vergelijken, kijken we steeds per opleidingsrichting of een school het beter of slechter doet dan andere aanbieders van dezelfde opleidingen. We verzamelen van elke school daarom de verschilscores van haar opleidingen.

2. Weging naar omvang

Elke opleiding moet zo zwaar wegen als hij groot is. Per school berekenen we dus een gewogen instellingsscore. Als weegfactor gebruiken we de totale leerlingenpopulatie per opleidingsrichting.

Instellingsscore = Som (verschilscore x weegfactor) voor alle opleidingen, opgeteld bij het landelijke gemiddelde van alle opleidingen.

Voorbeeld:

Een ROC heeft opleidingen in drie van onze ‘vakgebieden’:
– Verpleging scoort 60 punt. Dit is 4 punt onder het verpleegkundegemiddelde. Leerlingenaantal is 1000.
– Bij Logistiek scoort het ROC ook 60 punt. Hier is dat 2 punten boven het gemiddelde. 200 leerlingen.
– De Toerisme-afdeling scoort 64 punten, is + 4. Deze opleiding telt 400 leerlingen.

De berekening gaat nu als volgt:
– Verpleging: – 4 x 1000   = –  4000 punt
– Logistiek:   + 2 x   200  = +   400 punt
– Toerisme   + 4 x   400  = + 1600 punt

Totaal: -2000 punten / 1600 = – 1,25 pt

Dit wordt opgeteld bij de gemiddelde score van 60 voor het gehele mbo:

Instellingsscore = 58,75

Dit wordt afgerond tot 59. Daarmee zit deze instelling iets achter de helft van het peloton.