In de Keuzegids MBO-Studies 2012 worden scholen per vakgebied met elkaar vergeleken. Wij beoordelen ze steeds op acht punten. Hier geven we uitleg over hoe dat werkt.

 

 

Welke opleidingen, welke indeling?

Beschrijving: ALLE MBO-niveau's, accent op BOL

 

Vorig jaar beschreven we in de meeste vakgebieden alleen de opleidingen op MBO-niveau 3 en 4. Dit jaar zijn er ook beschrijvingen opgenomen van de opleidingen op niveau 1 en 2. Alle zogenaamde CREBO-opleidingen volgens het nieuwe 'competentiegerichte' stelsel worden behandeld. Dat zijn er ruim 300. De 'uitstroomprofielen' die onder elke opleiding vallen, zijn niet allemaal genoemd. Hetzelfde geldt voor de 'unieke' marketingnamen die veel mbo-instellingen aan hun opleidingen meegeven. Hantering van deze namen maakt het vergelijken van opleidingen namelijk niet makkelijker.

 

Van veel opleidingen bestaat zowel een BOL-variant (binnenschools) als een BBL-variant (werkend leren). In deze gids leggen we het accent op de BOL-variant, omdat dat de route is die het meest gekozen wordt door schoolverlaters van vmbo en havo. In sommige vakgebieden – vooral techniek – volgt de meerderheid de BBL-variant. Daar hebben we de gegevens over deze opleidingen vooropgezet.

 

27 opleidingsrichtingen

 

Het mbo kent heel veel verschillende opleidingen, diploma's en 'uitstroomprofielen'. Dat maakt het moeilijk om een overzicht te krijgen en een goede keuze te maken. Om een handzaam overzicht te bieden, is deze gids ingedeeld in 27 groepen verwante opleidingen, die we hier hoofdrichtingen noemen. Per hoofdrichting wordt steeds het opleidingsaanbod besproken en worden de kwaliteit en prestaties van de verschillende mbo-scholen vergeleken.

Wij hebben in hoofdlijnen de indeling van de JOB-Monitor in 27 ‘opleidingsrichtingen’ gevolgd. Slechts op onderdelen is van deze indeling afgeweken, om een logische presentatie van opleidingen mogelijk te maken.

 

Overzichtstabellen

 

Per vakgebied (dus: opleidingsrichting) geven wij steeds een samenvattend overzicht van de opleidingen die elke mbo-school aanbiedt. Dit overzicht is primair gebaseerd op het aanbod van BOL-opleidingen en het aantal eerstejaars in die opleidingen. Maar in vakgebieden waar BBL een grote rol speelt, zijn ook de BBL-opleidingen meegeteld. Bij vakgebieden waar BOL en BBL ongeveer 50/50 verdeeld zijn, hebben wij achterin deze Keuzegids een apart overzicht van het BBL-aanbod opgenomen.

 

In de tabellen worden vaak verwante CREBO-codes samengevoegd. Het schema geeft dus niet tot op de millimeter duidelijkheid of je op een school zowel autotechniek als bedrijfsautotechniek en motorfietstechniek kan leren. Voor de exacte details moet je dus uiteindelijk toch bij de school zelf zijn.

 

 

Ranglijsten per vakgebied ("De beste MBO-opleidingen")

 

0. Accent op niveau 3 en 4

Het grootste deel van alle MBO-leerlingen komt, direct of indirect, terecht in de opleidingen op niveau 3 en 4. Deze opleidingen hebben dus de meeste deelnemers en daarom zijn hierover de beste vergelijkende statistieken te maken. Daarom zijn onze ranglijsten bijna volledig gebaseerd op de opleidingen op niveau 3 en 4. 

 

1. Statistieken studiesucces

De eerste twee kolommen in elke ranglijsttabel gaan over studiesucces:

 

=> "Naar tweede jaar" betreft het percentage van de instroom dat na 1 jaar NIET is uitgevallen (jaargang 2008 en 2009), per instelling en opleidingsgroep. Er zijn alleen gegevens opgenomen bij een instroom van 20 of meer.

 

=> "Kans op diploma" is het percentage van de instroom dat na vier jaar een diploma op niveau 3 of 4 heeft behaald (jaargang 2006). Dit hoeft niet bij dezelfde opleiding en instelling te zijn waar men is ingestroomd. Er zijn alleen gegevens opgenomen bij een instroom van 20 of meer.

[NB: vorig jaar was onder de noemer 'kans op diploma'  gerekend met het percentage leerlingen dat na vier jaar nog niet was uitgevallen. Een groot deel van deze groep haalt uiteindelijk het diploma. Maar dit jaar zijn we dus iets strenger en kijken we naar feitelijk behaalde diploma's. Scholen waar veel leerlingen vertraging oplopen, scoren daardoor wat lager]

 

BRON: Al deze gegevens zijn gebaseerd op bestanden geleverd door de Dienst Uitvoering Onderwijs (www.ocwduo.nl). Er is de volgende selectie gemaakt:

– opleidingstype BOL en BBL*
– Instroom = totaal van directe en indirecte instroom, plus doorstroom
– Vooropleiding: alle soorten, behalve ‘onbekend’, ‘ongediplomeerd’, Mbo3 en Mbo4

– Alle leeftijden

 

Aparte beoordeling BOL en BBL. De statistieken van de BOL- en BBL-variant lopen enigszins uiteen. Bij BBL vallen meer leerlingen al uit in het eerste jaar, maar is na vier jaar juist een groter deel geslaagd. Voor een eerlijke vergelijking met collega-opleidingen hanteren we daarom aparte normen voor BOL en BBL.

In de praktijk betekent dit dat we, op basis van de verhouding BOL/BBL een 'verwachte survival' en een 'verwacht rendement'  voor elke opleiding berekenen. De mate waarin de feitelijke cijfers bij die opleiding hiervan afwijken, wordt in de tabellen weergegeven met plussen en minnen.

Bundeling kleine opleidingen. Waar de instroom kleiner dan 20 was, zijn gegevens van meerdere opleidingsrichtingen bij dezelfde instelling gebundeld om tot een betrouwbaar cijfer te komen. Dit is dan in een noot vermeld.

 

Conversie naar 5-puntsschaal

 

Deze onderwijsstatistieken worden gepresenteerd als een 5-puntsschaal. Voor een opleiding met 80% BOL en 20% BBL zijn de normen zoals hieronder gegeven. Voor opleidingen met een andere mengverhouding zijn de normen links wat hoger en rechts wat lager.

 

 

Een opleiding heeft steeds ongeveer vijftig procent kans om neutraal te scoren (o), twintig procent kans op een enkele plus (+) of min  (-) en vijf procent kans op een dubbele plus of min.

2. Leerlingenoordelen

Deze gegevens zijn gebaseerd op de resultaten van de JOB-Monitor 2010, de landelijke enquête onder mbo-leerlingen.

Ook hier zijn alleen gegevens over opleidingen niveau 3/4 gebruikt, en lag de nadruk op de BOL-variant, dus de 'theoretische' leerweg.

Wij berekenden zes themascores, elk gebaseerd op een selectie uit de enquêtevragen.
– Docenten en lessen (kwaliteit docenten; kwaliteit lesmateriaal; lesuitval).
– Leer je genoeg? (genoeg leren op school; leren communiceren; zelfstandig leren werken; leren voor het beroep)
– Begeleiding (Contact docenten; begeleiding bij studie / bij vervolgkeuze; hulp bij leerproblemen / bij keuzes in studie)
– Eerlijke toetsing? (Inhoud tijdig bekend; aansluiting op lesstof; leerlingen op zelfde wijze beoordeeld)
– Stage* (Voorbereiding; hulp vinden stageplek; theorie sluit aan op praktijk; genoeg leren op stage)
– Organisatie (Regels duidelijk toegepast; mening leerlingen telt; aandacht voor veiligheid; omgang met klachten)
*) Bij BBL-opleidingen zijn de vergelijkbare oordelen over de werkplek meegeteld

 

In deze selectie ligt de focus op de kwaliteit van het onderwijs en de daarvoor relevante randvoorwaarden. Niet meegeteld zijn onder meer vragen over algemene voorzieningen (kantine) of over de sfeer. Verder is van elk deelaspect geanalyseerd hoe sterk de oordelen erover samenhingen met de algehele tevredenheid van de leerlingen. Zo zijn de meest relevante deelaspecten uitgekozen. Per thema tellen de vermelde deelonderwerpen steeds even zwaar mee.

Voor de berekening en presentatie van de oordelen zijn verder de volgende spelregels gehanteerd:

 

Betrouwbaarheid
Er zijn alleen oordelen gepubliceerd op basis van tenminste 20 ondervraagde leerlingen. In gevallen waar dit aantal niet direct gehaald werd, is één van deze ingrepen gedaan:
– Waar nodig, zijn de oordelen van meerdere kleine opleidingen van één school samengenomen
– Als er ook een BBL-variant was, is een gecombineerd oordeel van BOL- en BBL-leerlingen berekend. Omdat BBL’ers

  gemiddeld positiever oordelen, zijn hun oordelen eerst teruggerekend naar de bij BOL gangbare schaal.

 

Rapportcijfers
In de JOB-Monitor geven leerlingen hun oordelen op een 5-puntsschaal. Voor presentatie in de Keuzegids wordt een schaal met rapportcijfers geschikter geacht. Alle scores zijn daarom omgerekend. Bij de BOL-opleidingen was de vaste formule: (10-punts = 5-punts*1,6 + 1,2). Voor de BBL-opleidingen is een aangepaste formule gebruikt.

 

Markering hoog/laag oordelen
In de kolommen met leerlingenoordelen zijn steeds de laagste en hoogste scores met pijltjes (^ en v  ) gemarkeerd. Hiervoor zijn zodanige normen gehanteerd dat gemiddeld 15% van alle oordelen als ‘hoog’ en 15% als ‘laag’ gekenmerkt is. Deze normen zijn voor alle studies gelijk. Zie de tabel.

 

 
  

3. Berekening totaalscore; ranking

De totaalscore is het gemiddelde van de scores in alle acht kolommen. Daarbij tellen de leerlingenoordelen voor 75% mee en het studiesucces voor 25%. Maar omdat de spreiding in scores bij het studiesucces twee keer zo groot is als die bij de leerlingenoordelen, is de invloed van eerstgenoemde cijfers feitelijk groter.  Het studiesucces bepaalt voor 40% de totaalscore. (NB: om rekentechnische redenen tellen de scores uit de vijfpuntsschaal niet als 1 t/m 5, maar als 4 t/m 8. Het gemiddelde is 6,5 – wat vrijwel in overeenstemming is met het gemiddelde van de leerlingenoordelen)

 

Eindoordeel

Tenslotte is naast de totaalscore steeds een ‘eindoordeel’ gegeven. Hiervoor gelden deze normen:

– Lager dan 6,4 is matig of één min ( )

– Van 6,4 t/m 6,7 is voldoende of ‘o’.

– Van 6,8 t/m 7,0 is goed of ‘+’.

– Vanaf 7,1 is uitstekend of ‘++’

Ranglijsten instellingen

Voorin de Keuzegids zijn drie ranglijsten opgenomen van de beste ROC’s, beste vakscholen en beste AOC’s. In deze lijsten zijn alleen scholen opgenomen waarover een leerlingenoordeel beschikbaar was. Een aantal instellingen, waaronder ROC Leiden en ROC Zadkine, ontbreken daardoor in de ranglijsten.

 

De instellingsranglijsten zijn gebaseerd op de 27 ranglijsten per opleidingsgroep. Hiervoor is een speciale procedure gehanteerd, die rekening houdt met (a) verschillen in omvang van opleidingen en (b) verschillende oordeelspatronen per opleidingsrichting. Die procedure verloopt als volgt:

 

1. Vergelijking met verwante opleidingen

In het ene vakgebied scoren alle scholen (veel) positiever dan in het andere vak. Het gemiddelde rapportcijfer van de opleidingen voor de verpleging is bijvoorbeeld 6,96, terwijl dat bij de opleidingen voor de handel maar 6,30 is. Een school met alleen verpleegkunde kan dus niet eerlijk vergeleken worden met een school die alleen handel aanbiedt.
Om toch te kunnen vergelijken, kijken we steeds per opleidingsrichting of een school het beter of slechter doet dan andere aanbieders van dezelfde opleidingen. We verzamelen van elke school daarom de verschilscores van haar opleidingen.

 

2. Weging naar omvang

Elke opleiding moet zo zwaar wegen als hij groot is. Per school berekenen we dus een gewogen instellingsscore. Als weegfactor gebruiken we de totale leerlingenpopulatie per opleidingsrichting.

 

Instellingsscore = Som (verschilscore x weegfactor) voor alle opleidingen, opgeteld bij het landelijke gemiddelde van alle opleidingen.

 

Voorbeeld:

Een ROC heeft drie opleidingen:
–    Verpleging scoort 6,6 punt. Dit is 0,4 punt onder het pabogemiddelde. Leerlingenaantal is 800.
–    De afdeling Handel scoort 6,2 punt of 0,2 punten boven het gemiddelde. 600 leerlingen.
–    De Horeca-afdeling scoort 64 punten, is  + 0,4. Deze opleiding telt 400 leerlingen.

 

De berekening gaat nu als volgt:
–    Verpleging:    – 0,4 x 800 =  –  320 punt
–    Handel:          + 0,2 x 600 =  + 120 punt
–    Horeca:          + 0,4 x 400 =  + 160 punt

Totaal:                                           -40 punten / 1800  =             – 0,045 pt

Dit wordt opgeteld bij de gemiddelde score van het gehele mbo:        6,61  pt

      Instellingsscore         6,565
 
Daarmee zit deze instelling iets achter de helft van het peloton.